Flamingo’s in Nederland
Sinds de zeventiger jaren van de afgelopen eeuw leven er flamingo’s in volle vrijheid in West Europa. Het zijn Grote Flamingo’s (Phoenicopterus ruber antiquorum/roseus) die in zuidelijk Europa inheems zijn en die tevens in Afrika en Azië van nature voorkomen, en Chileense Flamingo’s (Phoenicopterus ruber chilensis) die bekend zijn van Zuid Amerika en daar behalve in het Andesgebergte ook in lager gelegen gebieden leven. Daarnaast werden in de afgelopen decennia Kleine Flamingo’s (Phoeniconaias minor) (tot wel 7 stuks) en een enkele Caribische Flamingo (Phoenicopterus ruber ruber) in Nederland gezien, maar deze twee vormen werden hier na 2015 niet meer vastgesteld.
Kleine Flamingo’s leven van nature in Afrika en Azië, op veel plaatsen samen met Grote Flamingo’s, en ze laten zich af en toe in kleine aantallen zien in de broedkolonies van de Grote Flamingo’s in Zuid Europa waar ze zo nu en dan tot broeden komen. Zowel de Grote als de Kleine Flamingo’s  kunnen vanuit Afrika en Zuid Europa op eigen kracht in noordelijker contreien terecht zijn gekomen. Vroeger leefden hier al Grote Flamingo’s, maar die zijn enige duizenden jaren geleden verdwenen, mogelijk als gevolg van toegenomen menselijke activiteiten. Veranderde en voor flamingo’s verbeterde leefomstandigheden in onze tijd (bijvoorbeeld de aanleg van dijken en ondiepe wateren in de Delta en het IJsselmeergebied , mildere winters met minder ijs in de huidige eeuw, en de invoering van voor flamingo’s geldende beschermende maatregelen in Europa) zouden een verklaring kunnen zijn voor hun hervestiging in Nederlandse en Duitse wateren gedurende de laatste decennia.
Van de andere twee vormen wordt aangenomen dat ze hier door menselijke interventie zijn gearriveerd (weggevlogen uit gevangenschap of bewust losgelaten). Hoewel een spontane oversteek van de oceaan door de Chileense Flamingo’s niet volledig kan worden uitgesloten; flamingo-achtigen zijn immers goede vliegers die tijdens zwerftochten soms duizenden kilometers van hun geboortegrond af kunnen dwalen.
Omdat de drie Phoenicopterus-verschijningsvormen erg nauw aan elkaar verwant zijn, hebben ze, wanneer ze elkaar treffen, er geen moeite mee zich in gemengde leefgroepen aaneen te sluiten, en ook niet om onderling te paren. Het gemak waarmee Phoenicopterus-flamingo’s relaties aangaan met andere vormen van hetzelfde genus doet de vraag rijzen of er wel sprake is van verschillende soorten, of zelfs van ondersoorten of rassen. Misschien is het gewoon beter om van Phoenicopterus-vormen te spreken. De in de 21e eeuw uitgevoerde  onderzoeken van het menselijk genoom hebben duidelijk gemaakt dat de verschillende verschijningsvormen van Homo sapiens een indeling in rassen niet rechtvaardigt; voor Phoenicopterus-flamingo’s zal verdergaand genoomonderzoek hoogstwaarschijnlijk tot een soortgelijke uitkomst leiden.
De flamingopopulatie in West Europa telt in het voorjaar van 2021 ca 30 Chileense en ca 40 Grote Flamingo’s. Verder zijn er zo’n 20 gemengde vogels, waarvan meerdere in de tweede en  derde generatie. Van de ene Caribische Flamingo die van 1994 tot 2016 deel uitmaakte van de populatie leven nog diverse nakomelingen. Er zijn mengflamingo’s tussen Grote en Chileense Flamingo’s en tussen Grote en Caribische; en er zijn flamingo’s waarbij alle drie verschijningsvormen betrokken waren. Het aantal Grote Flamingo’s nam gedurende de laatste jaren flink toe als gevolg van meerdere influxen uit het Mediterrane gebied. Of al die influx-flamingo’s zich blijvend bij de West-Europese populatie zullen aansluiten, is nog onzeker. Vanuit deze populatie laten zich op hun beurt regelmatig flamingo’s zien in Spanje, Frankrijk en Italië.
De gemengde flamingogroep broedt al bijna veertig jaar in het Zwillbrocker Venn in Duitsland, nabij de grens met Nederland. Bijna jaarlijks komen er in de broedkolonie jonge flamingo’s uit het ei. Elk broedpaar produceert slechts één ei, maar flamingo’s kunnen tientallen jaren oud worden en een gemiddelde van 5 á 6 opgroeiende jongen per jaar is voldoende om zonder vestiging van buitenaf de populatie in stand te houden. De jonge flamingo’s in de broedkolonie worden geringd, elk met een ring met een unieke code om ze in hun verdere leven individueel te kunnen volgen.
De flamingo’s hebben de wateren in Nederland en aangrenzend Duitsland als leefgebied en trekken, afhankelijk van de voedselbeschikbaarheid ter plaatse, van de ene plek naar de andere. In de winter houden ze zich meestal op in de Nederlandse Delta, de laatste jaren met name in het Grevelingenmeer. Flamingo’s zijn voor het vinden van voedsel afhankelijk van open water en gewoonlijk vriest hier het water niet dicht. Op geen enkele manier wordt in de aanwezigheid van de flamingo’s in West Europa door mensen ingegrepen.
Nog steeds is het waarnemen van vrij levende flamingo’s in Nederland voor veel mensen een bijzondere ervaring. Vaak denkt men ten onrechte dat flamingo’s tropische vogels zijn die hier niet zouden kunnen overleven. Flamingo’s in de winter tussen het ijs passen daarom niet goed bij het beeld dat men altijd had. Voor sommigen is dat de reden om over de aanwezigheid van deze vogels in Nederland meer informatie te gaan zoeken. En bij zoeken op het internet komt men dan al snel op deze webpagina terecht.